De wind uit het oude land

1961
Een vroege ochtend in oktober. De kustplaats Marseille slaapt nog wanneer een kleine boot aanmeert aan een afgelegen steiger in de haven.
De opvarende zijn vrouwen en kinderen die hun vaderland Algerije zijn ontvlucht.
Als zogenaamde Pied Noirs, nakomelingen van Franse kolonisten uit de negentiende eeuw, worden ze door de Algerijnse rebellen vervolgd en vermoord.
Een van de vrouwen is de dertigjarige Isabelle. Acht maanden zwanger. Uitgeput door de reis en het verscheurende verdriet om haar man en twee zoontjes, die ze achter moest laten. Gedood bij een aanslag op de school, waar haar man leraar was. Als het niet om haar ongeboren kind was, was ze het liefst met hen gestorven. Haar schoonzus had haar weten te overreden met haar mee te gaan naar Frankrijk. Er werd een flink bedrag betaald en met alleen een koffer met kleren, hadden ze de overtocht in de gammele boot gemaakt.
De verkleumde vrouwen en kinderen worden opgevangen in een grote loods, waar eerste hulp wordt verleend en voedsel en bedden klaar staan. De Franse regering weet zich bijna geen raad meer met de toestroom van vluchtelingen. Duizenden zijn er nu al het land binnengekomen en nog steeds lijkt er geen einde aan te komen.
Isabelle gaat op bed liggen en sluit haar ogen en oren.
Die nacht wordt haar dochter geboren.
Yasmine.

1972
‘Nee mama, ik wil niet mee naar de bergen. Het is veel te warm en de wind prikt.’
Yasmine stribbelt tegen als haar moeder haar bij de hand wil pakken.
‘Goed, dan ga ik alleen. Maar je blijft bij tante Aisha,’ waarschuwt Isabelle.
Yasmine wil alles wel beloven, zolang ze maar niet die lange reis hoeft te maken naar de bergen.
Isabelle strijkt het meisje over de haren en kust het. Ach, wat weet de kleine er ook van.
Drie uur duurt de tocht en dan zit Isabelle eindelijk op haar geliefde plekje op de rotsen.
De Chergui, de hete woestijnwind, voert stof en zand van overzee mee.
De vrouw sluit haar ogen en ademt diep in. De wind prikkelt haar neus en keel, maar het hindert haar niet. Als ze goed ruikt kan ze de aroma’s van thuis oppikken. Gember, saffraan, kurkuma, kaneel, de oranje bloesem….. Het brengt haar terug bij haar geliefde Saïd en hun jongens.
De tranen op haar wangen vermengen zich met het stof uit de woestijn en laten zwarte sporen achter op haar gezicht.
Een paar keer per jaar kan ze het oude land ervaren. Voelt ze zich geen verachte Pied Noir, die zowel in Algerije als in Frankrijk uitgekotst wordt. Dan is ze de jonge vrouw die liefhad, danste en zong.

2013
De oude Isabelle zit voor het raam van het oude appartement waar ze woont, maar ze ziet niets.
De laatste twintig jaar is ze blind. De artsen staan voor een raadsel, maar zij weet wel beter.
Haar ogen willen geen bloed meer zien. De moordpartijen in Algerije en de rellen in Marseille die vele Pied Noirs het leven hebben gekost, de kinderen zonder ouders….. ze kan het niet meer aanzien…
Ze moet even een dutje hebben gedaan, want plotseling voelt ze een hand op haar schouder. ‘Nonna?’
Het is haar achttienjarige kleindochter, Anouk.
Haar oogappel, het kind dat zoveel op haar lijkt.
‘Nonna, ik heb wat voor je,’ zegt de jonge vrouw en ze legt een doosje in de handen van haar grootmoeder.
Isabelle betast het houten kistje en langzaam opent ze het.
Een rijk bouquet stijgt op: Gember, saffraan, kurkuma, kaneel…
‘Ik ben er geweest, Nonna. Ik ben thuis geweest,’ Anouk zingt het bijna terwijl ze de natte wangen van de oude vrouw kust.

sahara_sahara_winds

geschreven n.a.v. een uitdaging van Plato
WE-300 Geuren

Advertenties

De man die nooit genoeg had

Eindeloos gulzig was de man. Zijn hele leven al geweest.
Als baby begon hij te krijsen zodra zijn flesje leeg was en toen hij peuter was, at hij grote borden pap en stapels boterhammen.
Zijn gulzigheid betrof niet alleen eten, maar later met name geld en goederen.
Op achtjarige leeftijd, haalde hij overal lege flessen op, die hij vervolgens inleverde voor geld.
Zo snel mogelijk nam hij een krantenwijk en op de middelbare school had hij een florerende handel in uittreksels en scripties.
Al tijdens zijn studie zette hij een internetbedrijfje op. Inkopen en verkopen van gebruikte goederen.
Er was vraag naar.  Zijn bedrijf groeide en groeide. En zijn bankrekening groeide evenredig mee.
Maar het was nog lang niet genoeg voor de man.
Inmiddels was hij getrouwd en had hij een zoon. Voor hem ging hij nog harder aan het werk. Junior zou zich over de toekomst geen zorgen hoeven maken.
De man kocht het ene bedrijf na het andere op en zo werd hij marktleider in zijn branche.
Maar ook nu was zijn honger niet gestild. Hij stopte pas wanneer hij de rijkste man van de wereld zou zijn.
Dag en nacht werkte hij.
Op achtenveertigjarige leeftijd had hij zijn doel bereikt.
Zijn foto prijkte op de cover van de Times: een man achter zijn bureau, een tevreden glimlach om de lippen en de handen om de enorme buik gevouwen. In het blad een interview met de meest vermogend man ter wereld.
Eindelijk had hij genoeg.
Zijn chauffeur bracht hem naar huis en terwijl hij de drempel overstapte van zijn immens grote villa, riep hij zijn vrouw.
‘Jennifer! Het is me gelukt! Ik ben de rijkste!’
Zijn stem echode door de hal. Het was ook het enige geluid dat er klonk.
Geen Jennifer die hem antwoordde of op hem toeliep.
‘Jennifer?’
De man ging op onderzoek uit, maar nergens zag hij zijn vrouw.
Pas in de slaapkamer vond hij haar briefje.
‘Sorry lief, ik heb genoeg van het alleen zijn. Mijn advocaat neemt contact met je op.’
Verweesd zat de man op het bed. Zijn blik dwaalde naar de foto op haar nachtkastje.
Een foto van Jennifer en hun zoon. Genomen twee maanden voordat Junior alle aardse goederen opgaf en bij de priesters in Nepal ging wonen.
Langzaam besefte de man die nooit genoeg had, dat hij weliswaar een onmetelijk vermogen bezat, maar tegelijkertijd niets had.

Een kwestie van het hart

Guus was nauwelijks vijf minuten op pad en ondanks het gebruik van de paraplu waren zijn voeten al drijfnat geworden.
Hij had zich afgevraagd waarom hij ja had gezegd tegen de vriendelijke dame, die hem vroeg of hij dit jaar een straat voor zijn rekening wilde nemen. Ach, sinds zijn pensionering had hij tijd over gehad. En het was voor het goede doel. Bovendien was het thuis akelig stil, na het overlijden van Martha en had hij iedere gelegenheid aangepakt om het huis uit te gaan.
Hij had op de bel gedrukt. In zijn hand een blauwe collectebus.
‘Goedenavond, heeft u wat over voor de hartstichting?’
Na een paar adressen had Guus er lol in gekregen. Hij vond het wel leuk een kijkje te nemen achter de verschillende voordeuren. Je kon een aardig beeld krijgen van de bewoner, wanneer je diens hal zag. Zo was de dame op nummer zeven een pietje precies, hielden ze op nummer elf van sport en was het gezin op nummer dertien vast familie van Jan Steen. De hele ruimte lag bezaaid met kinderschoenen, jassen en speelgoed. Alle drie de kinderen mochten een muntje in de collectebus doen en Guus had ze uitvoerig bedankt.
Op nummer negentien werd er opengedaan door een oudere dame. Hij kende haar wel, ze groette hem vaak wanneer ze elkaar tegenkwamen.
‘Ach meneer, kom toch even binnen, u bent doorweekt.
Niet veel later had hij tegenover mevrouw Jacobs aan de keukentafel gezeten. ‘Zeg maar Dinie,’ had ze gezegd.
Hij dronk een kopje koffie en was weer op pad gegaan nadat hij beloofd had nog eens langs te komen.
Dat was allemaal precies een jaar geleden geweest.
Weer drukte hij op de bel van nummer negentien.
In zijn hand had hij een bos rode rozen en hij klopte nog eens op zijn jaszak, om te controleren of het doosje met de ring daar nog in zat.

Geschreven voor WE-300-indrukken

Een enerverend bankbezoek

Het gebeurt natuurlijk niet iedere dag, dat je in de loop van een pistool kijkt.
En ik weet niet of het nu kwam dat ik negenendertig weken zwanger was, de hormonen flink in opstand waren, ik een zeurderige pijn in mijn rug en enorme last van spataders had. Of dat ik zeker te laat op school zou komen om mijn dochter op te halen. Of misschien had ik er gewoon flink de pest over in omdat ik al ruim een halfuur stond te wachten voor het loket in de bank, om de veertig euro door de bank terug te laten boeken die onterecht van onze rekening was afgeschreven.
Maar wat ik deed, was natuurlijk wel een beetje onverantwoordelijk.
Onze bank heeft een ontmoedigingsbeleid wat betreft klantbezoek. Van de tien bankfilialen is er nu nog eentje open, waarvan er deze dag slechts één loket bemand werd en dan ook nog eens door iemand die waarschijnlijk net haar opleiding afgerond had of wellicht nog niet eens.
Toen ik mijn nummertje getrokken had, zag ik dat er vijf klanten voor me waren.
Ik berekende snel dat ik nog precies op tijd op school kon zijn om Merel op te halen. Ze had er altijd een hartgrondige hekel aan wanneer ik te laat kwam, wat helaas regelmatig het geval was. Vanochtend had ik haar beloofd ruim op tijd aanwezig te zijn en ik was het ook echt van plan geweest.  Toen kon ik natuurlijk nog niet weten, dat die onbekwame troela achter de balie voor iedere klant bijna een kwartier uittrok.
Net toen mijn nummer boven het loket verscheen, vloog de deur open.
Een gemaskerde man zwaaide met zijn wapen en schreeuwde dat we op de grond moesten gaan liggen.
Dat was de druppel.
‘Dat dacht ik niet!’ brieste ik. ‘In de eerste plaats kom ik nooit meer overeind als ik op de grond ga liggen, ten tweede ben ik al te laat voor school  en staat mijn dochter weer als enige op het plein op haar moeder te wachten, maar bovenal ben ik pislink omdat ik nu eindelijk aan de beurt ben om die miezerige veertig euro terug te eisen die ze van mij gestolen hebben en probeer jij voor te dringen.’
Woedend haalde ik uit naar het pistool en sloeg het uit zijn handen.
‘Wegwezen!!’ siste ik.
Even was het muisstil in het bankgebouw, toen draaide de overvaller zich om en stoof door de openstaande deur naar buiten.
De beduusde klanten en de banktroela keken me met open mond aan.
Ik voelde een plop in mijn onderbuik en langzaam begon er zich op de vloer een plasje te vormen.
‘Ook dat nog: mijn vliezen zijn gebroken!’
Wat er verder gebeurde ging een beetje langs mij heen.
De politie en een ambulance arriveerden en kort daarna werd ik op een brancard een ziekenauto in geschoven.
Ik werd met gillende sirenes naar het ziekenhuis gebracht, terwijl ik onderweg maar bleef roepen dat ze eerst langs school moesten rijden om mijn dochter op te halen.
Ik hield pas mijn mond toen me werd verzekerd dat mijn schoonmoeder onderweg was en zich over Merel  zou ontfermen.
Mijn man werd gebeld en een halfuurtje later stormde hij bezorgd de verlosafdeling op.
‘Wat is er? Ben je gewond?’
‘Nee, helemaal niet, maar dit kind heeft enorm veel haast om op de wereld te komen,’ jammerde ik tussen twee weeën door.
Nog geen uur later was ik bevallen van een prachtige zoon en liet ik eindelijk de tranen de vrije loop om deze toch wel heel bizarre middag.
’s Avonds belde ik mijn broertje om hem mee te delen dat hij weer oom geworden was.
Nadat ik zijn felicitaties in ontvangst had genomen, drukte ik hem nadrukkelijk op het hart nooit meer zoiets te flikken als wat hij die middag gedaan had, omdat ik hem dan eigenhandig aan de politie zou overdragen. Nadat ik allebei zijn armen zou hebben gebroken, beloofde ik er nadrukkelijk bij.
Want de werkelijke reden van mijn heldhaftige optreden waren niet mijn hormonen, de rugpijn of de ergernis over de trage behandeling, maar natuurlijk het feit dat ik de overvaller onmiddellijk had herkend als mijn broertje en ik zeker wist dat hij nooit iemand neer zou schieten.
Vooral niet met het speelgoedpistool dat hij al jaren in zijn kast had liggen.

Dit verhaal is geheel uit de duim gezogen…..

Levensfeest

‘Het moet geen verdrietige dienst worden,’ had ze gezegd.
‘Ik heb een mooi leven gehad. Fijne ouders, een lieve man en prachtige kinderen. Massa’s lieve mensen om me heen en ik heb  nooit ergens zorgen om gehad. Geen droevige dienst. Een levensfeestje.’

‘Ik wil thuis opgebaard worden en geen geloer in de kist alsjeblieft, ze moeten me maar herinneren zoals ik was. Als je het kunt zou ik willen dat je de kist zelf maakt en de kinderen mogen hem versieren.’

Hij was onmiddellijk aan de slag gegaan. Zodra de kinderen op bed lagen ging hij naar zijn werkplaats en zaagde, schaafde en schroefde tot diep in de nacht.
De vijfjarige Willeke had haar handjes in verschillende verfpotten gedompeld en daarmee enthousiast de kist bestempeld. Haar vier jaar oudere broer Guus overlaadde hem met getekende vlinders, terwijl Amber van twaalf gedichtjes op het hout schreef.
Twee dagen had de kist kant en klaar op de werkbank gestaan, toen was ze overleden.
Er was onophoudelijk visite geweest. Familie, vrienden, collega’s, buren.
Ze was geliefd.
De afscheidsdienst was gegaan zoals zij het had gewenst: een vrolijke fotopresentatie van haar leven, haar lievelingsmuziek,  een korte overdenking en vooral geen lange toespraken ‘…..waarin ze me vergelijken met Moeder Theresa….’
Een grote groep mensen had haar naar het graf begeleid. En na afloop waren er muziek, hapjes en wijn.
Precies zoals ze wilde: een levensfeestje.
En nu zat hij alleen  in de lege huiskamer die vol was van haar aanwezigheid.
Hij hield de foto in zijn handen die gemaakt was tijdens hun laatste vakantie in Portugal. Vrolijk lachend keken ze in de camera. In de gelukkige onwetendheid dat ze nooit meer met hun vijven zouden zijn en er altijd eentje zou missen.
Eindelijk liet hij zijn tranen gaan en huilde hij met lange halen.

geschreven voor WE-300-Vieren

De ontmoeting

De actualiteit brengt zomaar een verhaal naar boven
Vooruit dan maar, nog een keer…..

Hij was nog twee stappen van me verwijderd. Mijn hart bonkte in mijn keel, eindelijk zou ik oog in oog met mijn vader staan.
Mijn moeder ontmoette hem vlak na de oorlog, in Polen waar ze werkzaam was als tolk. Al snel bloeide er een liefde tussen hen op, maar het mocht niet, het kon niet.
Toen mijn moeder merkte dat ze zwanger was, ging ze terug naar Nederland.
Ze heeft nooit iets losgelaten over de identiteit van mijn vader. Pas op haar sterfbed, twintig jaar later, gaf ze mij zijn naam.
Ik was druk bezig met mijn leventje en mijn vader was een beetje naar de achtergrond verdwenen, totdat aan het einde van de jaren zeventig de media bol stonden van zijn naam.
Ik was geschokt: was dit mijn vader? Ik keek uren naar zijn foto, zo dichtbij, maar tegelijk zo onbereikbaar.
In de jaren negentig vertrok ik naar Italië. Ik zette projecten op voor straatjongeren.
Op een dag kreeg mijn organisatie een uitnodiging uit Rome. Het bleek dat mijn vader van ons werk gehoord had en hij wilde ons graag ontmoeten.
Ik was bloednerveus. Zou hij een verband leggen tussen mijn naam en die van mijn moeder? Tussen haar uiterlijk en de mijne?
We stonden opgesteld in een rij toen hij de zaal binnenkwam. Mijn hart ging als een razende tekeer en toen hij vlak bij me stond, was ik bang het bewustzijn te verliezen.
‘Carola Vermaas,’ stelde Mario mij voor.
Ik maakte een reverence en kuste de ring aan zijn hand. Toen ik opstond keek ik in mijn eigen ogen.
‘God zegene je, mijn kind,’ sprak hij in de taal die hij van mijn moeder geleerd had.
‘Grazie Padre,’ mompelde ik terug.
Het waren de enige woorden die ik in mijn leven met mijn vader, Paus Johannes Paulus II, zou wisselen.

Hier waak ik!

Het was vakantietijd en dat betekende handel voor Peter en Kees. Veel tijdelijk onbewoonde woningen, die boordevol gratis af te halen koopjes stonden.
De twee werkten al jaren samen en waren goed op elkaar ingespeeld. Kees hield de woningen een paar dagen in de gaten en Peter was een kei in het forceren van deuren en ramen. Soms was het kinderlijk eenvoudig, hadden de bewoners amper de boel afgesloten. Geen dievenklauwen op de ramen, een dakraam dat op en kiertje stond of deuren die met een koevoet zo geopend waren.
Het inbreken leverde ze een aardige cent op, hoewel het steeds moeilijker werd de spullen te helen. Vooral sieraden leverden niet veel meer op. Te riskant. Maar laptops, dvd spelers en tv’s deden het nog altijd goed in het wereldje.
Het was een donkere donderdagnacht. De maan werd verduisterd door dikke wolken, waaruit regelmatig een spat regen viel.
Het huis waarop Kees zijn oog had laten vallen stond een beetje buitenaf. De bewoners waren al een paar dagen weg, dus de kust was veilig.
Peter had in een ogenblik het raampje van de bijkeuken open en ze stapten naar binnen.
‘Heb je gecontroleerd of er geen hond is?’ vroeg Peter nogmaals. ‘Ik zag een bordje bij de voordeur hangen.’
Kees had het ook gezien. Een bordje met de kop van een Rottweiler en de tekst: Pas op! Hier waak ik! in dreigende letters.
‘Is veilig, de hond is weg,’ antwoordde Kees. Zelf had hij het niet zo op katten, maar daar hadden ze nog nooit echt hinder van ondervonden. Peter begreep niet waar hij zich druk om maakte: katten waren waardeloze waakdieren.
Nadat ze de achterdeur hadden geopend om als vluchtroute dienst te doen, gingen ze aan de slag.
Het bleek een uitstekend adres, want er stond werkelijk voor kapitalen aan apparatuur in huis.
Ze waren nog geen tien minuten aan het werk, toen er een auto voor de deur stopte.
‘Beveiliging. Er moet een stil alarm zijn,’ siste Peter, ‘vlug wegwezen.’
Tijd om weg te komen hadden ze niet meer, want over het achterpad kwam al een beveiliger aangelopen.
‘Hans, hier!’ riep die tegen zijn collega. ‘De achterdeur staat open.’
Zo snel ze konden vluchtten de inbrekers naar de bovenverdieping. Achter de eerste deur vonden ze een grote slaapkamer met daarin een enorme kast, waarin ze zich zo goed mogelijk verborgen.
Inmiddels hadden de beveiligers de benedenverdieping doorzocht en liepen nu de trap op.
De deur van de slaapkamer ging open. Kees en Peter hielden de adem in toen de kastdeur openging en een lichtbundel naar binnen scheen. Ze hadden zich zo goed achter een stapel kleding verstopt dat ze niet ontdekt werden.
‘Heb je wat gevonden?’ vroeg zijn collega.
‘Nee, niets er ligt hier alleen een oude kat,’ zei de man. Hij bukte zich naar het dier en aaide het dier over de kop.
‘Heb jij wat gezien, beesie? Het zou toch gemakkelijk zijn als je kon praten.’
Ondertussen kreeg Kees het aardig benauwd, want katten dat betekende ellende.
Tot zijn afschuw zag hij dat het dier langzaam door een kier van de kastdeur hun verstopplek binnen sloop.
En juist toen de beveiligingsbeambte de kamerdeur wilde sluiten, klonk er een enorm niessalvo uit de kast.
Meteen realiseerde Peter zich waarom Kees zo’n hekel aan katten had: hij was er vreselijk allergisch voor.