‘Dachau 14 april 1945.
Aan mijn allerliefste Roos.
Wanneer je dit schrijven onder oogen krijg, zal ik er naar alle waarschijnlijkheid niet meer zijn. Mijn barakgenoot en goede vriend, Jacob Meijer, heeft beloofd er op toe te zien dat deze brief jou zal bereiken.
Mijn krachten nemen sterk af en ik ben bang dat den bevrijders te laat zullen koomen.
Het leven is hier zwaar. De omstandigheden slecht. Velen zijn ziek en uitgeput. Slechts den gedachte dat jij en ons ongeboren kind, niet in deze hel hoeven te verblijven, geeft me den kracht om vol te houden.
Den laatste nachten droom ik veelvuldig dat ik weer terug ben in ons huis en omringd ben door geliefden. Je weet hoe ik er altijd van genoten heb familie en bekenden te inviteren. Regelmatig denk ik: hoe zou het met hen zijn? Wie zal dezen verschrikkelijke oorlog overleven?
Lieve vrouw, ik ga afsluiten, het schrijven kost me teveel moeite.
Ik zou je tenslotte nog een gunst willen vragen.
Zou je ons kind, als het een dochter is, de naam Sara willen geven? Naar mijn geliefde moeder.
Weet dat ik heel veel van je houd. En ik zie er naar uit, elkaar weer in den eeuwigheid te ontmoeten.
Het ga je goed.
Met liefde, je Bram.’
Er viel een traan op het dunne briefpapier.
Sara,ze had Sara moeten heten.
Hanna drukte de brief aan haar borst.
De laatste brief die haar vader aan haar moeder had geschreven, maar vijfenzestig jaar te laat werd bezorgd.

Zomaar even een verhaal eruit gepikt… en een traantje weggepinkt… Mooi!